Chroom

Over het belang van chroom in de voeding is nog niet heel veel bekend. Wel bekend is dat het een rol speelt in het metabolisme van koolhydraten en lipiden. De biologisch relevante vorm van chroom is (waarschijnlijk) het driewaardige ion Cr3+. Dat chroom een essentieel onderdeel is van onze voeding, bleek uit onderzoek bij patiënten die sondevoeding kregen zonder dat daarin chroom zat. Sommigen vertoonden diabetes-achtige symptomen die niet reageerden op insuline. Door toediening van chroom verdwenen de symptomen. De werking van chroom is afhankelijk van insuline. Mertz en collega’s veronderstelden, onterecht weten we inmiddels, dat het chroom in het lichaam onderdeel werd van een groter molecuul, de zogenaamde Glucose Tolerantie Factor (GTF). GTF blijkt een artefact (het bestaat niet), het werd gevormd tijdens het gebruik van de door de onderzoekers gekozen analysemethode. Sindsdien zijn er verschillende studies gedaan naar het effect van chroom op het metabolisme van glucose en vetten om na te gaan of het diabetes-achtige symptomen kon verbeteren. Chroom suppletie had geen effect bij normale gezonde mensen. Bij diabetici verbeterde de bloedglucosespiegel enigszins, maar had het geen effect op het cholesterol en andere bloedvetten.

Globaal kan men 2 soorten onderscheiden, organisch gebonden chroom zoals chroom(III)picolinaat, chroom(III)di- en trinicotinaat en chroom(III)ethanolaminefosfaat en anorganisch chroom zoals chroom(III)chloride. Een aantal case reports rapporteert een verband tussen het gebruik van chroom(III)picolinaat en het optreden van rabdomyolyse (spierafbraak), nierfalen en een gestoord denkvermogen. Laboratoriumproeven lieten weleens beschadiging van het DNA zien, er is echter niet aangetoond dat dit voor de mens relevant zou zijn. In een veiligheidsevaluatie van chroompicolinaat concludeerde de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid dat de inname van chromium(III) picolinaat in voedingssupplementen en verrijkte voeding geen risico's met zich meebrengt, zolang de dosering niet boven de 250 µg per dag uit komt. Ook de Wereldgezondheidsorganisatie stelt dat de dagelijkse suppletie met chroom niet meer dan 250 µg/dag zou mogen zijn.

Suppletie met chroom is alleen zinvol bij mensen met een tekort aan chroom. En dat komt alleen voor bij een klein aantal mensen die sondevoeding krijgen (zie sectie hierboven). Tevens is het zo dat chroom in zeer veel voedingsmiddelen zit, weliswaar in kleine hoeveelheden. Met een normale voeding loop je dus geen tekort op. Relatief veel chroom zit in broccoli en volkoren producten. Producten die veel suiker (fructose en sacharose) bevatten hebben een nadelige invloed op de hoeveelheid chroom in ons lichaam.

De EFSA, de instantie die in Europa de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH) vaststelt, heeft in 2009 de ADH voor chroom verlaagd van 125 naar 40 μg/dag. De US Food and Nutrition Board hanteert de volgende waardes: respectievelijk 35 µg/dag en 25 μg/dag voor 19 tot 50 jaar oude mannen en vrouwen (FNB, 2001).

Bron: Wikipedia

Informatie over dit nutriënt van de Ortho Health Foundation volgt nog.

Gerelateerde aandoeningen

Aandoening Dagdosering*
Diabetes type II 1 – 3 maal daags 200 µg
Hypoglykemie 2 x daags 200 µg
Leptineresistentie 1 – 3 x daags 200 µg
Metabool Syndroom 2 x daags 200 µg
Obesitas 3 x daags 200 µg